Het gemiddelde, het gewogen gemiddelde en welk cijfer je nog nodig hebt. Gratis, niets installeren en geen account nodig.
Deze calculator doet de drie cijfersommen die echt nodig zijn: het gewone gemiddelde, het gewogen gemiddelde als elk cijfer anders meetelt, en de vraag die iedereen aan het eind van het jaar stelt — welk cijfer je nog nodig hebt voor het gemiddelde dat je wilt. Je voegt cijfers toe met de plusknop, kiest de modus en rekent. Hij draait in je eigen browser en je kunt hem als pdf downloaden.
Alle cijfers optellen en delen door hoeveel het er zijn. Vier cijfers — 6, 7, 8 en 5 — zijn samen 26, en 26 ÷ 4 = 6,5. Maar die som klopt alleen als ze ALLEMAAL even zwaar wegen. Zodra het eindexamen meer telt dan een werkstuk, zegt het gewone gemiddelde niet meer de waarheid, en daar begint het probleem.
Elk cijfer wordt vermenigvuldigd met wat het weegt, die uitkomsten tel je op en je deelt door de som van de wegingen. Een toets van 8 die 60% telt en een werkstuk van 5 dat 40% telt: 8 × 0,6 = 4,8, 5 × 0,4 = 2, en 4,8 + 2 = 6,8. Het gewone gemiddelde had 6,5 gezegd. Bijna vier tienden verschil, en bij een grens beslist dat.
Dit is de nuttige vraag. Sta je op een 5 die 70% weegt en heb je nog één toets die 30% weegt, en wil je een 6 als eindcijfer: wat je hebt levert 5 × 0,7 = 3,5 op, je komt 6 − 3,5 = 2,5 tekort, en die 2,5 moet uit de resterende 30% komen, dus 2,5 ÷ 0,3 = 8,33. Je hebt een 8,33 nodig. De calculator rekent dat zelf uit, en als het getal boven het maximumcijfer uitkomt zegt hij het — dat is het eerlijke antwoord, ook als het niet meevalt.
De wegingen door elkaar invullen: staat er 60% en 40%, gebruik dan 0,6 en 0,4, óf 60 en 40, maar nooit van allebei één. En de controle die nooit faalt: het gemiddelde MOET tussen je laagste en je hoogste cijfer liggen. Lopen je cijfers van 5 tot 8 en komt er 9 uit, dan staat er iets verkeerd. Komt het precies in het midden uit terwijl je wegingen heel verschillend waren, dan sta je waarschijnlijk ongemerkt in de gewone modus.
Het gewone klopt alleen als elk cijfer even zwaar telt. Zodra het programma zegt dat de toets 60% telt en de praktijk 40%, moet je het gewogen gebruiken, anders is het getal dat je krijgt niet je cijfer.
Allebei mag, als ze maar allemaal hetzelfde zijn: allemaal procenten (60 en 40) of allemaal decimalen (0,6 en 0,4). Door elkaar gebruiken is de meest gemaakte fout, en het geeft een antwoord dat redelijk lijkt en fout is.
Dat hoeft niet. De som deelt door de optelling van de wegingen, dus 3, 2 en 1 werkt ook: die tellen voor de helft, een derde en een zesde. Dat is handig als een docent zegt "de toets telt dubbel" in plaats van percentages te geven.
Nee. Alles gebeurt in je eigen browser: de cijfers die je invult verlaten je apparaat niet en worden nergens bewaard. Geen account, geen e-mailadres.
Geschreven en gecontroleerd door de redactie van Tutorio Lab · Wie we zijn en hoe we ons financieren